'Akka van Ronaldinho mijn favoriet'
Van Johan Cruijff tot Rafael van de Vaart en van Ruud Gullit tot Eljero Elia. Alle grote voetballers zijn ooit op straat begonnen. In ‘sterren starten op straat’ vertellen ze over hun straatvoetbalavonturen. Deze week Jeremain Lens, de razendsnelle aanvaller van AZ.
,,Ik voetbalde vroeger elke dag op straat. Meteen na school pakte ik mijn bal en ging ik vaak tot etenstijd naar buiten om te voetballen. Dat was op de pleintjes in Amsterdam-West met jongens als Diego Biseswar, Gregory Nelson en Dominique Kivuvu, die ook het betaald voetbal hebben gehaald. Ook Saïd en Saïd, twee bekende spelers van Panna Knock Out speelden daar. Voor de rest voetbalde ik er vooral met jeugdvrienden.”
,,Ik bewaar er mooie herinneringen aan. Altijd was ik samen met vriendjes en speelden we met zelfgekozen teams tegen anderen. Heel af en toe komt het nog wel eens ter sprake, bijvoorbeeld als ik contact heb met Kivuvu of Nelson.”
,,Eén keer in de zoveel tijd doe ik het nog wel. Ik weet niet of het mag of niet; voor zover ik weet staat er niets over in mijn contract. Als je van voetbal houdt wil je dat dagelijks doen, daar kan dan niets je van weerhouden.”
Op straat de basis gelegd voor profvoetbal
,,Of ik zonder op straat te voetballen ook prof had kunnen worden? Moeilijk te zeggen. Ik heb de basis wel op straat gelegd, maar ik gebruik niet veel ‘straattechniek’ in mijn spel. Het aannemen van de bal leer je op straat, net als het beschermen en vasthouden ervan en de één-tegen-één actie. Mijn favoriete trucje is de akka van Ronaldinho. Om zelf te doen ben ik meer van de functionele techniek: een schaar of een schijntrap. Maar vooral maak ik gebruik van mijn snelheid.”
,,De nieuwe generatie voetbalt veel minder dan vroeger buiten. Dat zie ik wel als ik op straat rondkijk. Waarschijnlijk komt dat doordat er veel meer keuzemogelijkheden zijn voor de jeugd. Ze krijgen andere interesses, zoals computerspelletjes.”
Kapotte ruiten
,,Zelf heb ik nog nooit een ruit kapotgeschoten. Maar ik heb het wel zien gebeuren. Het pleintje waar ik meestal speelde was omringd door binnentuinen. Onze grootste angst was dat we de bal moesten halen als die weer eens bij iemand in de tuin was beland. Je wist nooit hoe iemand zou reageren en of je de bal wel terug zou krijgen.”


